
De streektaal en ik
DichtAls kind dat nooit een woord dialect gesproken heeft, maar wel in de Achterhoek geboren en getogen is, heeft deze dichter ook altijd al een moeilijke relatie gehad met de streektaal. Nooit van thuis uit geleerd, maar altijd jaloers op zij waar dat wel het geval was. Later heeft zij ook niet echt de kans gehad het dialect te leren, en nu is het te laat, denkt ze. Want welke volwassene wil zichzelf een dialect aanleren? Of misschien dat er gewoon één de eerste moet zijn.
De streektaal en ik
Ik vind het vaak heel jammer dat mijn ouders haar nooit aan mij hebben geïntroduceerd
Dat ik het moest hebben van het over en weer tussen opa en oma
De flarden van hun gesprekken meekrijgen
De taal te ingewikkeld en onbegrijpelijk voor een kind
Er werd gezegd dat mij aan haar voorstellen rampzalige gevolgen zou hebben voor mijn toekomst
Mij zou belemmeren in het sociale en professionele, op alle vlakken
Ik zou erdoor nooit een baan vinden of vrienden van niveau
Maar ik baal dat ik haar alleen versta en niet spreek
Dat ik Achterhoeks ben, zonder de woorden om uit te leggen wat dat betekent
Ik heb het wel over losse deuren en trekkers
Maar alleen dat onderscheidt mijn taal van de randstedelijke
Tegelijkertijd geeft het mij misschien wel een kans om bewust iets te leren
Niet van thuis uit meegegeven, maar uit eigen beweging verworven
Een mogelijkheid om op latere leeftijd de grammaticale methodes van het plat te begrijpen
Actief te doorgronden waarom men kuiert tijdens het kuieren
En mijn regionale verbondenheid te versterken










