
Liever de boot dan de brug. Leden van de Historische Vereniging Zutphen onderweg met de veerpont bij Rees. Foto: Sander Grootendorst
Met het ‘pöntje’ heen en ‘tröch’ de rivier over
GrensnieuwsREES/XANTEN – In het bericht over de laagwaterproblemen voor de veerdiensten over de Rijn in Duitsland dook de naam eerder deze week op, en waarschijnlijk is menige lezer van deze krant in zijn of haar hoedanigheid van toerist de rivier tussen Xanten en Wesel al eens overgestoken met de veerpont Keer Tröch II.
Door Sander Grootendorst
Als kleine hommage aan de gisteren overleden Paulien Cornelisse, die als geen ander de taal die wij dagelijks spreken wist te ontleden, zodat wij er met meer begrip én meer liefde mee om konden gaan, kom ik nog even terug op de naam van de boot, of beter gezegd: tröch.
‘Tröch’: Dat is plattdeutsch, in dit geval Nederrijns Duits voor het hoogduitse woord zurück. Het spreekt zich vrijwel hetzelfde uit als het Nederlandse ‘terug’, dat wil zeggen, het woord ‘terug’ zoals je het meestal zegt: ‘trug’. Alleen als je het wil beklemtonen, zoals destijds cabaretier Henk Elsink in zijn ballade ‘Kleine Johanna’ (‘Kom weer te-rug, Kleine Johàààànna!), spreek je ook de e uit.
Teroek
Het grappige is dat de Nederrijn-Duitsers voor hun op het Nederlands lijkend dialect wèl de hoogduitse spellingsregels gebruiken. Zou de boot ‘Keer terug’ hebben geheten, hadden ze dat op z’n Duits uitgesproken als ‘Keer teroek’. De Nederlandse korte u is min of meer gelijkwaardig aan de Duitse ö en de Nederlandse g is min of meer gelijkwaardig aan de Duiste ch. Maar er stáát hetzelfde.
In feite is ‘Keer’ wel een kleine bijstelling aan het hoogduits: het had immers ‘Kehr’ moeten zijn, met h. Een Hoogduitser kehrt met de boot zurück. De h keert bijvoorbeeld ook terug in de naam van het Nederlandse dorp Wehl, gemeente Doetinchem: een herinnering aan het feit dat Wehl vier eeuwen lang een Duitse enclave was, ze hoorden bij het hertogdom Kleve (dat zelf in het Nederrijns ‘Kleef’ heet).
Rees
Ook de naam van de veerverbinding bij Rees is streektaal pur sang: het Rääße Pöntje zet de passagiers hier de Rijn over (en terug). ‘Rääße’ is een plaatselijke schrijfwijze van wat in het Hoogduits ‘Reeser’ zou zijn, oftwel ‘van Rees’. Maar de Reeser dialectspreker slikt die afsluitende r in, blijft over: Reese. De beide e’s klinken in de volksmond meer als èè dan als éé, maar toch ook weer niet helemaal, vandaar ää. En zeker vóór de spellingshervorming van 1996 zetten Duitsers na zo’n klank een ß, oftewel Ringel-s of Eszett. (De spellingshervorming heeft de ß nogal teruggedrongen).
‘Pöntje’ spreekt zich uit als het Nederlandse ‘puntje’, net als bij ‘tröch’ is die o met twee puntjes erop de schrijfwijze van onze korte u (dat wil zeggen de u in bijvoorbeeld ‘dus’ en ‘kunst’). Een oud Nederlands woord voor ‘pont’ is overigens ‘punte’. ‘Pöntje’ doet in zoverre ook Nederlands aan omdat het een verkleinwoord is – wij Nederlanders grossieren daarin met onze feestjes, ijsjes en jasjes.
Ponto
‘Pont’ is oorspronkelijk afkomstig uit het Latijn: een ponto was een Gallisch vrachtschip. Het kreeg ook de betekenis van een rij aaneengesloten schepen, waardoor je lopend de rivier kon oversteken. Vandaar het Franse pont, dat ‘brug’ betekent.
Maar het is veel avontuurlijker om de rivier over te steken in een veerpontje, een pöntje, en na een kort of lang bezoek aan de overzijde weer veilig tröch te keren.









