Afbeelding

Column De Buitenstaander: Ter ruste strooien

Opinie Aalten Dinxperlo

Mijn ma was voor de duvel niet bang, maar toen ze na het overlijden van haar man Theo steeds brozer werd, was ze als een vogeltje voor de katten. Als er een blauwe brief kwam: meteen paniek in de tent. ‘Ma, je hoeft de bak niet in hoor, het is de belasting maar.’ Het maakte haar er niet geruster op. Ik zei wel eens tegen haar: ‘Ma, waarom probeer je niet wat meer te bewegen, verzet je, Mick Jagger staat nog op het podium.’ ‘Ja, maar ik ben Mick Jagger niet,’ antwoordde ze lacherig, maar met een serieuze ondertoon. Dat simpele antwoordje, ik snapte het ineens. Nee, jij bent Mick Jagger niet, inderdaad, je doet het op jouw manier, en ik, als zoon, heb dat te respecteren, al zou ik je liever tot in lengte van dagen als de Tina Turner van de Achterhoek op een podium willen zien swingen. Je hebt gelijk, iedereen is zichzelf, ieder zijn energie, ieder zijn eigen tempo. Een paard loopt ook nooit te snel.
Toen ineens, … was ze dood. Ik kon het amper bevatten. (Nog steeds niet) Een tsunami aan gedachten overspoelde mijn geest. Mijn mond liep er van over en mijn ogen verdronken. Een tijdje na haar crematie, toen we haar inboedel aan het opruimen waren, kwam ik naast een aantal mij niet bekende jeugdfoto’s van haar, ook menig dankbare brief tegen. Die mensen bedankten haar voor de goede zorg van hun ouders. Als Schwester Thea had ze in een Duitse privékliniek vele mensen verpleegd en ook geholpen met het lijden voorbij te gaan.
Toen de uiteindelijke uitstrooidatum was aangebroken, gingen we eerst naar de plek waar ons de as zou worden overhandigd. In een soort van pronkkamer dronken we koffie en ik zag tig kunstobjecten, waarin je de as kon laten verwerken, uitgestald. Allemachtig, wat een business. Ik keek of ik ergens een setje vuurpijlen zag, denkend aan Dré Hazes. Die waren er niet. Tijdens het keuvelen kregen we nog wat tips met betrekking tot hoe we dienden te strooien. ‘Niet te hoog houden en zorg dat je de wind achter je hebt.’
Dat leek me vrij logisch. Misschien had ik dat een uurtje later ook even moeten communiceren met de rest van de aanwezigen, want iemand, ik noem geen namen, begon iets te enthousiast en te hoog boven het veldje te strooien, als een patatbakker die achteloos zout op de friet gooit, en toen er ook nog een windvlaag opstak en richting mij blies, zat ma niet alleen in mijn hart, maar ook in mijn haar en keel. Toen ik aan het einde van de ceremonie mijn gitaar pakte en ‘What a wonderful world’ van Louis Armstrong wilde zingen, dacht ik: ‘as … da moar goed geet,’ en besloot toen in een flits om het maar met mijn eigen stem te doen, want in combinatie met de rochelende stem van Louis had me dat zeker en vast een monumentale hoestbui opgeleverd. Wat an sich ook wel weer leuk was geweest, en het past ook perfect bij de slapstick-achtige connectie die mijn ma en ik samen hadden. ‘Lieve gek,’ was het laatste dat ze tegen me zei.

Ik zou mezelf ook eens af en toe ter ruste moeten strooien en ‘que sera sera’ moeten zingen, ‘wat zal zijn, zal zijn.’ Je gaat één keer dood, en al die andere dagen niet.

Tekst: Rocco Ostermann