
Column De Buitenstaander: De kleine tenor in het AZC
Opinie Zwarte CrossNet voor kerst ‘23, op een druilerige middag in Arnhem, kwamen we met ons sociale muziekproject De Niemanders aan bij een AZC-boot om muziek te maken. Binnen, in de ‘balzaal’ van het schip, zaten mannen die druk bezig waren met hun telefoons. Het leek erop dat niemand speciaal voor ons was gekomen. Waarschijnlijk zaten ze hier dagelijks, uur na uur, de tijd te verdrijven, af te wachten.
Na een half uur was ons instrumentarium opgebouwd: gitaren, piano, bas en versterkers stonden klaar in een kring. Een kleine man van een jaar of 35, kalend met warme reebruine ogen, keek me vriendelijk aan en richtte zijn blik op de piano. Zijn ogen vroegen: ‘Mag ik?’ Ik knikte en zei: ‘Of course, sit down, and play.’
We begonnen met simpele deuntjes, en langzaamaan kwam er een groep van dertig mannen om ons heen zitten. Geen vrouwen helaas, die wonen op een andere boot. Na een aarzelend begin kwamen we terecht in een liedjescanon à la ‘Heel Syrië zingt Hazes’, maar dan iets anders. We communiceerden met grijnsjes, knipogen en schaterlachen. Soms maak je opwindende muziek, en soms zing je met mensen uit verre landen de soundtrack van hun jeugd. We musiceerden op ons gehoor mee. Iemand wilde gedichten voordragen, en zachtjes speelden we soundscapes onder de woorden. We begrepen niets van de taal, maar de mannen om ons heen luisterden geboeid en respectvol. Wat we hier samen creëerden was magisch. Na afloop applaudisseerden de mannen luid en de dichter gloeide van trots.
Een moment later zong ik spontaan een paar zinnetjes uit ‘My Way’ van Frank Sinatra. De kleine man achter de piano deed mee en we zongen het lied tot het einde toe, hard en hoog met de juiste emotie. Terwijl we zongen dacht ik: ‘I did it my way’, me hoela. Niemand hier ‘did it my (of his) way.’ Het was de weg van de machthebbers die hun levens verwoestte.
Toen begonnen, bijna achteloos, de betoverendste minuten van die middag. De pianist speelde het intro van ‘E Lucevan Le Stelle,’ een aria uit Tosca (van Puccini). Ik ken de aria als mijn broekzak en spontaan begon ik te zingen: ‘E lucevan le stelle. Ed olezzava la terra, stridea l’uscio dell’orto.’ De kleine man nam het over en we zongen om de beurt een regel. We kenden beide de tekst, die de wanhoop van iemand uitdrukt die de volgende ochtend geëxecuteerd zal worden. Terwijl hij eenzaam in zijn cel tussen de tralies door naar de sterren kijkt, overvalt hem het brute besef dat hij nog nooit zo’n diepe liefde voor het leven heeft ervaren dan juist nú. De kleine man bleek een operazanger uit Damascus te zijn. Hij liet ons een foto zien van hem en Andrea Bocelli, genomen in Peking waar ze samen hadden opgetreden. Bocelli zag er uit als een uitgemergelde grijze maffiabaas, maar de tenor verzekerde ons dat het echt Bocelli was. Toen we die middag afscheid namen zei ik tegen hem: ‘We will meet again, soon, trust me.’ En nu, heeft hij afgelopen weekend, via De Niemanders, op de Zwarte Cross de aria O Sole Mio gezongen, voor veertigduizend man! Hoe mooi is dat!
Tekst: Rocco Ostermann










