Mieke Stemerdink. Foto: PR
Mieke Stemerdink. Foto: PR

‘Heel de dag kankeren op de moffen, maar wel Duitse liedjes zingen’

Veur de Draod

ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. Vandaag zangeres Mieke Stemerdink (59), die opgroeide in Zeddam en Doetinchem. Ze vergaarde onder meer bekendheid als leadzangeres van De Gigantjes én met haar suikerspinkapsel.

Door André Valkeman

1) Mijn mentale bui is:
“Ik heb zin in de dag. Ik ga zo studeren op muzieknummers en daarna koken voor mijn gezin. 23 oktober is er een ode aan De Zangeres Zonder Naam in Paradiso. Verschillende artiesten vertolken haar nummers, nu ze een kwart eeuw overleden is. Ik zing Mag ik van u een lift, meneer? en Ach vaderlief, toe drink niet meer.

We gaan komende week repeteren in Weert. In de legendarische studios van Johnny Hoes, die haar nummers schreef.”

2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Als ik in de spiegel kijk, denk ik aan mijn vader. Zo’n klein streepje als mond. In mijn geval betekent dat: lang leve de dikke lippenstift!

Het innerlijk is moeder. Het extraverte, aanwezig zijn, heb ik van haar kant. Haar broer, mijn oom dus, was Hulzer Willem. Een legendarische Achterhoeker die mij inspireerde tot optreden. Rondom Winterswijk werden zijn zelfgeschreven toneelstukken uitgevoerd. Allemaal in dialect. Dat zijn kraakheldere jeugdherinneringen.”

3) Dit is mijn grootste angst:
“Dat je kind iets overkomt, natuurlijk. Een oergevoel dat zo’n geboorte in je achterlaat, voor altijd.

Ik heb ook hoogtevrees. Als podia heel hoog zijn, borrelt dat al op. Ultra hoge hakken maakte die angst nog groter, aan dat gewiebel begin ik niet meer. De hakken zijn lager geworden.”

4) Na de dood is er:
“Ik hoop veel, ik vrees weinig. Ik zou mij best aan een geloof willen vastklampen. Houvast.

Mijn verstand laat het niet toe. Reïncarnatie of een hemel? Ik vrees dat het over is.’’

5) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Zeker. Ik woon in Amsterdam, al jaren. Toch… Nog altijd ga ik eenmaal per jaar naar Zeddam. Dat moet, ofzo. Het maïs, bos, de velden en bloemen.

Achterhoekers hebben een eigen inborst. Het hart ligt niet op de tong. Ze bekijken eerst hoe de ander in elkaar steekt. Mensen praten ietwat in bochtjes, formuleren omfloers. Terwijl, hier in Amsterdam zijn gesprekken soms rechtstreekse ontmoetingen als: ‘Hé, hoe gaat ’t gap’ en ‘he, hoe ken dat nou so?’.

De inborst in de Achterhoek is toch minder direct dan bijvoorbeeld het westen. Mijn moeder vond ook dat ik een grote waffel had gekregen toen ik eenmaal langer in Amsterdam woonde, te hard sprak ook. Hier is dat gewoon, daar ongewoner. Cultuur verandert je dan toch. Mijn moeder was niet op haar mond gevallen maar vond dat directe te grof. Dat werd en wordt vermeden in de Achterhoek.”

6) Ik ben de Nederlandse Nina Hagen:
“Dat zou iets te veel eer zijn. Ik ben weleens vergeleken met haar, ik kan d’r nummers zingen. Maar zij is de hele dag Nina Hagen. Ik ben het eventjes op het podium. Ik leid geen extreem leven. Euhm, met drugs en van die gekkigheid. Die week groen en dan weer paars haar.

Oké, ik ben ook herkenbaar geweest vanwege mijn opgestoken haar en jurken als artiest, die herkenbaarheid heeft Hagen ook. Ik snap de vergelijking daarom. Toch heb ik mijzelf vaak genoeg met stijl haar de bühne opgestuurd. Maar het suikerspinkapsel, daar kennen mensen mij van, met decolleté soms. Ook dat laatste houd ik de laatste jaren rustiger, háhá.’’

7) Mensen met een accent zijn:
“Om te vermenigvuldigen. Wat als iedereen Nederlands zou spreken? Saaiheid troef. Een postzegel vol eenheidsworsten. Ik kom uit de streek van Platduuts, daar komt mijn liefde voor Duits vandaan. Toen ik opgroeide in de Achterhoek kankerden mensen nog de hele dag op moffen, maar aan het einde van de dag wel Duitse liedjes zingen…

Ik denk dat ikzelf onderhand een Amsterdams accent heb. Toch spreek ik het niet plat, ik loop niet te schmieren.’’

8) Hierom huilde ik voor het laatst:
“Saxofonist Rob Kruisman overleed onlangs, daar speelde ik mee in De Gigantjes. Ik gier niet, maar vecht dan hard tegen de tranen, die uiteindelijk toch komen.”

9) De mens is monogaam:
“Nee, we zijn niet zo gemaakt maar kunnen ons ertoe zetten. Ik ben nu monogaam. Er zijn ook tijden geweest dat ik het niet was en mijn man ook niet. Dat was niet de periode van zwaan-kleef-aan en altijd met elkaar in dezelfde gracht dobberen. Als je jong bent moet je ook een beetje rondkijken. Ouder worden en een kind krijgen, bij die fase past monogamie weer uitstekend.’’

10) Dit komt er op mijn grafsteen:
“Begraven wil ik worden, cremeren is verbrand zijn en echt zo definitief. Een leven lang dapper geleefd en binnen een kwartiertje verstoken ze je tot as. Maar op mijn steen hoef ik weinig en zeker geen mantra voor het leven.’’