Wethouders John Haverdil en Marco Bennink. Foto: M Bussink.
Wethouders John Haverdil en Marco Bennink. Foto: M Bussink.

College wil over inhoud DRU praten, maar concrete meetlat ontbreekt

Maatschappij

OUDE IJSSELSTREEK – Het debat over het DRU Industriepark moet volgens wethouder John Haverdil niet langer uitsluitend over geld gaan. Toch laten de stukken die de raadscommissie woensdag 14 oktober bespreekt vooral zien hoe de organisatie financieel en juridisch kan worden voortgezet. Welke doelgroepen de DRU moet bereiken, hoeveel activiteiten daarbij horen en welke maatschappelijke prestaties de gemeente voor haar subsidie verwacht, is nog niet concreet vastgelegd.

Door Meindert Bussink

Het college vraagt de gemeenteraad 573.144 euro aanvullende subsidie om Stichting DRU Industriepark door 2026 heen te helpen. Daarnaast wil het alleen de huidige organisatievorm en een variant met afgesplitste horeca verder laten onderzoeken. De gemeenteraad neemt daar naar verwachting op 29 oktober een besluit over.

In het eerste toekomstscenario blijft de horeca onderdeel van de DRU-organisatie. Daarvoor zou structureel minimaal 380.000 euro extra subsidie per jaar nodig zijn. Wanneer de horeca bij een externe commerciële partij wordt ondergebracht, loopt de benodigde aanvullende subsidie volgens de scenariomatrix op tot minimaal 830.000 euro per jaar.

De gemeentelijke vordering op de stichting bedraagt per 1 januari 2027 naar verwachting ruim 2 miljoen euro. Een gegarandeerd krediet van 600.000 euro bij de Bank Nederlandse Gemeenten staat daar nog los van. Over de schulden, investeringen en structurele subsidie moet volgend jaar afzonderlijk worden besloten.

Terug naar de inhoud
Tijdens een persgesprek over het voorstel zei Haverdil dat de discussie de afgelopen jaren te veel over cijfers is gegaan. “We moeten teruggaan naar de inhoud”, aldus de wethouder.

Volgens hem is de maatschappelijke betekenis van de DRU daardoor steeds verder ondergesneeuwd geraakt onder de financiële problemen. Hij noemde onder meer cultuurbeleving, gezondheid, ontmoeting en het verenigingsleven. 

Maar toen hem werd gevraagd die inhoud concreet te maken, zoals welke doelgroepen de gemeente wil bereiken en hoeveel activiteiten daarbij horen, bleven zijn antwoorden algemeen. Ook tijdens het persgesprek vertaalde hij de genoemde waarden niet naar concrete doelgroepen, aantallen activiteiten, bereikcijfers of gewenste maatschappelijke resultaten. Volgens Haverdil beschikt de DRU zelf over nadere cijfers.

De communicatiemedewerker van de gemeente verwees ook naar de prestatieafspraken met de stichting. Die worden momenteel opnieuw bekeken, maar de herziene afspraken zijn volgens de gemeente pas in 2027 gereed. De raad moet ondertussen al wel beslissen over 573.144 euro aan aanvullende subsidie en toestemming geven om twee toekomstscenario’s verder uit te werken.

Doelen bewust algemeen
Die begin 2026 vastgestelde prestatieafspraken geven vier inhoudelijke hoofdlijnen: kunst en cultuur, toerisme en recreatie, industrieel erfgoed en historie en creatieve economie en educatie. Daaronder staan doelstellingen als een breed en toegankelijk cultureel aanbod, ruimte voor talent, regionale samenwerking en het beleefbaar maken van het industriële verleden.

De overeenkomsten zijn daarmee inhoudelijk niet leeg. Ook zijn afspraken gemaakt over jaarplannen, begrotingen, tussentijdse rapportages en financiële verantwoording. De overkoepelende overeenkomst schrijft bovendien kwartaalrapportages en regelmatig ambtelijk en bestuurlijk overleg voor.

De maatschappelijke resultaten zijn echter niet gekwantificeerd. In de prestatieafspraken staat expliciet dat de doelen algemeen zijn geformuleerd, zodat de stichting ze vanuit haar eigen expertise concreter kan invullen. Begrippen als “breed aanbod”, “voor iedereen toegankelijk”, “culturele hotspot” en “een aantal evenementen voor verschillende doelgroepen” krijgen geen aantallen of ondergrenzen.

Daardoor valt uit de overeenkomsten niet af te leiden hoeveel theaterproducties, popconcerten, films, educatieve programma’s of erfgoedactiviteiten de gemeente voor haar subsidie verwacht. Ook ontbreken concrete doelgroepen, bezoekersdoelen, afspraken over betaalbaarheid en indicatoren voor maatschappelijke effecten.

De inhoudelijke rapportage over het tweede kwartaal van 2026 laat zien dat sommige gegevens inmiddels wel worden verzameld. De DRU noemt daarin zeven popconcerten en vijf theatervoorstellingen. Tegelijk wordt gesproken over “mooie bezoekersaantallen”, zonder die aantallen te noemen of af te zetten tegen vooraf bepaalde doelstellingen.

Popzaal als voorbeeld
Tijdens het persgesprek werd het rapport De waarde van pop aangehaald als voorbeeld van een methode om culturele waarde inzichtelijk te maken. Het rapport onderscheidt culturele waarde, participatie, talentontwikkeling en economische betekenis. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar bezoekers, activiteiten, vrijwilligers, actieve makers, publieksgroepen, samenwerkingen en werkgelegenheid.

“Ja, maar de popzaal is maar een klein onderdeel van de DRU”, reageerde Haverdil.

Het voorbeeld was niet bedoeld als meetlat voor uitsluitend de popzaal, maar om te illustreren dat maatschappelijke en culturele waarde wel degelijk met concrete indicatoren zichtbaar kan worden gemaakt. Een vergelijkbare benadering kan worden toegepast op theater, film, educatie, erfgoed en maatschappelijke activiteiten.

Geen lid van branchevereniging
De DRU is niet aangesloten bij de Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals. Daardoor is de organisatie ook niet verplicht deel te nemen aan het Poppodium Analyse Systeem. Aangesloten podia verzamelen daarin jaarlijks gestandaardiseerde gegevens en kunnen hun bedrijfsvoering op ongeveer 170 indicatoren vergelijken met andere podia.

Daarbij wordt onder meer gekeken naar activiteiten, optredens, bezoekers, bezettingsgraden, personeel, vrijwilligers, inkomsten, uitgaven, horeca en subsidies. Lidmaatschap had daardoor in ieder geval voor het poppodium een structurelere gegevensverzameling en vergelijking met soortgelijke podia opgeleverd. Dat had zowel de DRU als de gemeente meer houvast kunnen bieden bij het beoordelen van prestaties en kosten.

Dat betekent niet dat de gemeente bij VNPF-lidmaatschap automatisch toegang zou krijgen tot alle individuele gegevens. Daarover zouden afzonderlijke afspraken moeten worden gemaakt. Ook vallen theater, film, erfgoed en educatie niet volledig binnen een poppodiumbenchmark. De systematiek laat echter wel zien dat meer meetbaar en vergelijkbaar is dan nu uit de gemeentelijke prestatieafspraken blijkt.

‘Tellen en vertellen’
Opmerkelijk is dat de gemeente daar in 2018 zelf al om vroeg. In het gemeentelijke 3D-document Samen, voor een ijzersterk DRU Industriepark werd vastgelegd dat de raad de inhoudelijke en financiële kaders bepaalt en dat het college die vertaalt in prestatieafspraken.

Het document maakte onderscheid tussen maatschappelijke effecten en concrete prestaties. Aantallen activiteiten, deelnemers en bezoekers werden expliciet genoemd als meetbare resultaten. Bij de verantwoording moest niet alleen worden besproken welke activiteiten waren uitgevoerd, maar ook hoeveel dat er waren, hoeveel mensen ermee waren bereikt en hoe ze bijdroegen aan de maatschappelijke doelen. De gebruikte formulering was “tellen en vertellen”.

Acht jaar later is die combinatie nog niet zichtbaar in de stukken waarop de raad nu een financiële en organisatorische richting moet bepalen. De stichting krijgt inhoudelijk veel vrijheid, maar daardoor ontbreekt voor de raad ook een concrete basis om te beoordelen wat met de bestaande of verhoogde subsidie wordt geleverd en welke gevolgen een lager budget voor het programma heeft.

Omgang met kritiek
Tijdens het persgesprek kwam ook de regelmatig door wethouder Marco Bennink genoemde invloed van negatieve publiciteit op de boekingen ter sprake. Hem werd gevraagd welke lessen het college en de raad trekken uit eerdere kritiek die achteraf op onderdelen terecht bleek.

Als voorbeeld werd gewezen op Harry de Kort, voormalig bedrijfsleider van cultureel centrum en poppodium ’t Pakhuus. Hij waarschuwde dat het laten verdwijnen van vaste technici en het vervolgens extern inhuren van techniek kostbaar kon uitpakken en tot kennisverlies kon leiden. Uit latere DRU-stukken bleek dat de externe technische inhuur inderdaad zwaar op de resultaten drukte. Interim-bestuurder Cleo Sissingh werkt inmiddels weer aan een eigen technisch team.

“Reacties doen mij niet zo veel. Als het park leegstaat, kost het ook bakken met geld. Ze beseffen niet wat de consequenties zijn”, antwoordde Bennink. Haverdil wees vervolgens naar het verleden en stelde dat in 2019 niemand de vraag had gesteld of de subsidie verhoogd moest worden. Op de vraag welke lessen het college en de raad zelf trekken uit kritiek die later gedeeltelijk terecht bleek, gingen de wethouders daarmee niet rechtstreeks in.

Richting wordt al bepaald
Het college benadrukt zelf dat de toekomstscenario’s nog slechts op hoofdlijnen zijn uitgewerkt. De raad neemt op 29 oktober dus nog geen definitief besluit over het toekomstige programma of de uiteindelijke organisatie van de DRU.

Toch bepaalt de raad dan al wel de richting. Als het voorstel wordt aangenomen, ontvangt de stichting 573.144 euro aanvullende subsidie en worden alleen het huidige model en het model met afgesplitste horeca verder onderzocht. Andere mogelijkheden, zoals gecontroleerde afbouw, faillissement of een geheel andere invulling van het Industriepark, worden vooralsnog niet verder uitgewerkt.

Andere mogelijkheden zijn niet volledig buiten beeld. Het college heeft ook een gecontroleerde afbouw en verschillende faillissementsvarianten globaal beschreven. Daarbij kan het dienstenaanbod worden voortgezet of beëindigd, of kan het gemeentelijke vastgoed worden verkocht. Deze mogelijkheden zijn echter nog geen uitgewerkte businessplannen en het college vraagt de raad nu niet om ze verder te laten uitwerken.

Bennink zei dat de financiële gevolgen van een faillissement niet volledig vooraf te berekenen zijn. De gemeente geeft de regie dan grotendeels uit handen aan een curator. De kosten hangen mede af van de vraag of activiteiten worden voortgezet, de gebouwen leeg komen te staan of vastgoed wordt verkocht. Ook blijven bij leegstand kosten bestaan voor het beheer en onderhoud van de monumentale panden.

Daarnaast wil het college volgens Bennink kijken naar het aangekondigde tienpuntenplan van de oppositie, zodra dat beschikbaar is. Dat plan was bij de presentatie van het collegevoorstel nog niet gereed.

Daarom ligt naast de financiële vraag ook een inhoudelijke kwestie voor. Welk cultureel en maatschappelijk aanbod wil de gemeente behouden, voor wie, met welk bereik en tegen welke prijs? Zolang die antwoorden ontbreken, kan de raad wel kiezen hoe de DRU organisatorisch moet doorgaan, maar nog niet precies waarvoor.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant