Afbeelding

Ballonnenwedstrijd

Opinie Hengelo

Het mag niet meer, hetgeen geheel begrijpelijk is. Toch was het beeld van al die oranje ballonnen op Koninginnedag – Willem-Alexander moest nog koning worden – jaar na jaar fantastisch. We stonden als schoolkinderen verzameld voor het plein van het vroegere gemeentehuis, onze burgemeester heette nog Van Beeck Calkoen. We zongen niet alleen het nationale volkslied, maar ook dat van ons dorp: ‘Daar midden in de Graafschap.’ En dan het turen naar de lucht, naar die vele ballonnen: waar zou die van mij zijn gebleven? Volgens mij is het die, daarginds, daar hoog. Misschien al wel boven Toldijk, of Steenderen, of nog verder.

Dat was de uitdaging, om het ding zo ver mogelijk te laten vliegen, ook al had je daar nul invloed op. Misschien een klein beetje, bij het positioneren voor het oplaatmoment. Vooral niet te dicht bij een boom, want dat was het allerverschrikkelijkste wat er kon gebeuren: jouw ballon in boom, een prachtuitkomst in de kiem gesmoord. Een opluchting was het wanneer je jouw oranje stipje uit het zicht zag verdwijnen, maar er toch zeker van was dat het ding in de open lucht was gevlogen. Te midden van de oranje massa, die op een bepaald moment uiteen zou gaan, zich zou verspreiden over de regio, over het land, misschien wel over de grens. 

Ja, een jongen van onze school – twee groepen lager – kreeg er ooit eentje terug uit Aachen, in Duitsland, ter hoogte van Maastricht. Voor mijzelf is het altijd bij hoop gebleven. Het beeld had ik er al bij. Een oud mevrouwtje, ergens wonend op het Duitse platteland, ’s ochtends de krant uit de bus halen, op de sloffen, het haar nog sluiks. Dan ineens dat kaartje zien liggen. Verrek: van Luuk uit Hengelo, 12 jaar. Die ga ik terugsturen. Dat moet mooi zijn voor die jongen. Gebeurde nooit. Geen teruggevonden kaartje, geen onverwachte post, geen winst in de ballonnenwedstrijd.

Wel elk jaar weer die hoop, in de dagen na Koninginnedag, de gedachten terug naar die ballon. In die kleine momenten voor het aftelmoment had ik het lint zo zorgvuldig vastgehouden. Drie, twee, één: jááá! Daar gingen ze. Aan mij had het niet gelegen. Nu nog die mevrouw, ze zou toch wel goed opletten, bij het uithalen van de krant. Dat kaartje niet zomaar laten liggen, ook al was het nog vroeg in de ochtend. In zekere zin lag het lot in haar handen. 

Thuis nog wekenlang iets vaker dan anders het oog op de deurmat, zou hét kaartje door de brievenbus zijn gevallen? Tot een eervolle winst kwam het nooit, maar de herinnering is gebleven, tot de dag van vandaag. En nu ik erover nadenk, besef ik me dat ik net zulke sterke herinneringen heb aan het heen en weer lopen met een ei op een lepel. Tijden veranderen, maar het draait simpelweg om het met z’n allen zijn, in het oranje, in een breed gedeelde vrolijkheid. Hulde aan de mensen van de verschillende oranjecomités, voor weeral een feest dat velen nog jaren zal heugen.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant