
Loopings
Opinie HengeloVan een heleboel dingen kun je jezelf afvragen of je dat bij 35 graden wel of niet gaat doen, maar in al die overwegingen heb ik loopings maken met een stuntvliegtuig niet direct meegenomen. Gemiste kans, want kan gewoon! Dat blijkt deze zomerse middag wel. De zon hoog aan de hemel, de temperatuur alsmaar verder oplopend en ineens zijn ze daar, getweeën, met bulderend geluid. Een helikopter? Dat is het eerste dat ik denk, maar dan zie ik ze achter de bomen te voorschijnen komen, dwars door alle hittegolven heen.
Het gaat bepaald niet in rechte lijn. Nee, dit gaat met megasalto’s, enorme loopings. Op het ene moment zo hoog dat de piloten tot over de Lochemse Berg moeten kunnen kijken, aan de andere kant richting Montferland. Volledig over de kop, dan weer zo laag dat ze welhaast een broodje zouden kunnen afhalen in de plaatselijke broodjeszaak. Doen ze niet, want het gaat met een grote boog naar links, verder het buitengebied in. Een draai terug, richting Toldijk, met een duikvlucht, als de afdaling van een Alpencol.
Voor dergelijke vluchten geldt – zo lees ik – een minimale hoogte van 500 voet, zo’n 150 meter. Dit voelt veel lager. De buurman golft al dobberend op zijn luchtbedje nog net niet uit het zwembad. Een buurvrouw slaakt een gil. Ik ben blij dat ik met beide benen op grond sta. Ik houd niet van hoogtes, al helemaal niet van over de kop gaan. De laatste keer dat ik me tot iets dergelijks liet verleiden, was jaren terug in een kermisattractie hoog boven Keijenborg. En dat zal nog kinderspel zijn geweest vergeleken met de krachten die de mensen in deze twee vliegtuigjes moeten ervaren.
Roept wel de vraag op: mag dit zomaar? ‘Boven bebouwd gebied of mensenverzamelingen geldt een strenge wetgeving’, zo staat er te lezen. Nou, van mensenverzamelingen is hier hoe dan ook geen enkele sprake. Eerder van uitgestorven straten. Velen zijn weggetrokken, naar Italië, Frankrijk, Zeeland. Het voelt alsof je door een soort Zonnedael fietst, waarin zelfs de familie Flodder op vakantie is (dit is allemaal beeldspraak, niemand hoeft zich aangesproken te voelen). Zo’n dorp waarin de achterblijvers tegen elkaar zeggen: wat zijn we met weinig. Maar toch ook: niemand om je voor te haasten, alles een stapje trager, ik vind het heerlijk.
Natuurlijk, er zijn de toeristen, de mensen die hier vakantie vieren. Zo val ik vrijwel elke avond tijdens mijn wandeling in de apotheose van een potje jeu de boules op de camping. Je ziet niks, je hoort enkel de reacties, het gejuich, de oeh’s en ah’s. De discussie over de al dan niet toegestane gooitechniek. Welke bal ligt dichterbij? Ik meen een Amsterdams accent te ontwaren. Als ik alweer honderden meters verderop loop, hoor ik nog steeds dat er punten worden gescoord. Er zal er eentje glorieus winnen, het verblijf voortzetten als jeu de boules-koning of -koningin van de camping. En dan met beide benen op de grond blijven staan.










