Erik Haverkort. Foto: PR

Erik Haverkort. Foto: PR

‘Het stemt droevig, maar ik ben toch echt de enige Achterhoeker in de Kamer’

Veur de Draod

ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. In deze aflevering Erik Haverkort (51). Hij is weer verkiesbaar voor de ‘Haagse slangenkuil’.

Door André Valkeman

1) Mijn mentale bui is:
“Het is zondag. Ik heb nog even de Formule 1 van Japan gekeken. Prinsjesdag 2023 is geweest, daar kijk ik dit weekeinde op terug. Als Kamerlid mag je een persoon meenemen. Ik nam deze keer mijn moeder mee. Ik vond het fantastisch haar naar dat decorum te kunnen en mogen meenemen.

Ik ben weer verkiesbaar de komende verkiezingen en ben nu het enige Kamerlid wonend in de Achterhoek. Ik hoop dat dat na de komende verkiezingen verandert. Welke partij? Dat is aan de kiezer, maar één Achterhoeker is te weinig.’’

2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Ik denk dan aan mijn vader. We hebben dezelfde humor. Flauw, droog, vermoeiend en soms gekmakend voor de ander. Wil je melk of jus d’orange? Dan laten we een stilte vallen en zeggen wij: ja, doe maar.

Mijn ronde hoofd, de oogtwinkeling, het uiterlijk is ook mijn vader. 

Als ik de dingen overdenk en de tijd neem om na te denken, aanschouw ik mijn moeder in mijzelf.’’

3) Mijn grootste angst in het leven is:
“Toen mijn oudste geboren werd… Die moest even vechten. Ja, dat was fragiel en precair. Dat liep gelukkig goed af in het ziekenhuis. Als ik aan angst denk, denk ik alleen aan dat moment en dat gevoel heb ik voor de rest nooit ergens bij gehad.’’

4) Na de dood is er:
“Ik ben te druk bezig met het leven nu, niet wat hierna komt, realiseer ik bij deze vraag.

Er is heus nieuwsgierigheid naar wat er zal zijn. Het leven heeft een open einde voor mij, dat houd ik graag zo. Ik laat mij verrassen en heb geen idee wat er zal komen.’’

5) De Haagse slangenkuil kan mij niet diep genoeg zijn?
“Omdat ik wil blijven? Haha… Maar inderdaad, die slangenkuil is er helaas. Ik zie hem vooral aan de interruptiemicrofoon. Daar wordt te veel op de man gespeeld en te weinig op de inhoud.

Ik werk veel in Kamercommissies, das meer in de luwte. Ik merk dat daar dat politieke handwerk als Kamerlid volop mogelijk is, die slangenkuil is daar niet zo.

Daar krijgen we voortschrijdend inzicht, in samenwerking. Ik heb wel twee voorbeelden. Afgelopen jaar pasten wij een wet aan. We kunnen mensen die helaas niet goed voor hun dier zorgen daar nu op aanspreken. Iemand kan nu het recht om dieren te houden ontzegd worden, door inspectiediensten. Dat regelden we als Kamerleden van verschillende partijen, oppositie en coalitie.

Een ander voorbeeld is milieu. Ik begon met die portefeuille en dat woord heeft een negatieve bijklank en waar staat het eigenlijk voor? Nu spreken we over een schone buurt, schone lucht, schoon water. Aan die omslag in denken, in begripsduiding, heb ik kunnen bijdragen met andere Kamerleden. Fatsoenlijk en constructief.’’

6) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Mijn ouders waren van de pioniersgeneratie die van niets iets maakten in de polder bij Dronten. De eerste lichting bewoners. Ze startten daar als boeren.

Alles was recht. Wegen, water, landerijen. De boompjes jong. Mijn jeugd is kilometers zwartgeploegde akkers. Een totaal andere plattelandsomgeving dan het Achterhoekse coulisselandschap. 

Dronten was toen wijds en kil. Dat heeft ook schoonheid, echt! Het maagdelijke van kilometers grond dat nog ingericht kan worden. 

In de Achterhoek is historie, kronkelen wegen en rivieren en liggen zaken vast. Ik ben hier wel verknocht aan geraakt en zou niet meer weg willen.’’

7) Hierom huilde ik voor het laatst:
“Haha. Wat een Baudet-vraag zeg (Baudet vroeg het ooit aan Rutte in een debat, red.). Ik word regelmatig geraakt. Toen mijn dochter recent VWO afrondde, dan rollen er tranen over mijn wangen. Of als mijn zoon scoort bij voetbal. Dan ben ik trots en trots zijn betekent vocht onder de ogen.’’

8) De mens monogaam:
“Jeetje. Die cultuur is de norm. Maar een monogaam ras? Nee, het andere zie je ook bij de mens. De monogamie werkt wel het best voor mij. In de puberteit moet je misschien leren hoe dat werkt, later ben je dat.’’

9) Mensen met een accent zijn:
“Ongeëvenaard zichzelf. In de Flevopolder klinken alle dialecten, mensen uit alle windstreken kwamen daar wonen. Ik kan ook alle Nederlandse dialecten verstaan.

Maar ruimte voor een Flevolands dialect was er zodoende niet. Dus spreek ik accentloos abn, zoals veel polderkinderen, eigenlijk.”

10) Dit komt er op mijn grafsteen:
“Ik zou dat nu nog niet willen formuleren. Ik sta teveel in het leven. Maar laten we praktisch zijn: ’72 geboren en ’72 overleden, dat lijkt mij mooi. Dan ben ik honderd. Mijn oma werd 103 en mijn opa bijna 100. De genen zijn ernaar.’’