Tim Pardijs. Foto: Nieke Martens
Tim Pardijs. Foto: Nieke Martens

‘Mijn dood? Daar ben ik nog niet mee bezig’

Veur de Draod

ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. In deze aflevering Tim Pardijs (1978). De dichter uit Zutphen die in januari 2026 de prestigieuze 14e editie van de Poëziewedstrijd Stad Oostende won met zijn gedicht ‘Stof’.

Door André Valkeman

1) Mijn mentale bui is:
“Ik geniet van de zon. Voorjaar, zomer, altijd lekker. In de winter kan ik neerslachtig worden. Deze winter viel dat mee gelukkig.

In deze seizoenen, lente en zomer, krijg ik nieuwe ideeën, ga ik mijn huis opruimen. Ik ga mee in waar het seizoen de lente voor bedoeld is. Een frisse start!

Ik dicht, ik schrijf, ik geef rondleidingen in musea en train nieuwe rondleiders, geef ook schrijfles en creatief denken-les. Ik ben voor mijn tweede jaar zzp’er en die autonomie, daar ga ik goed op. Grote doel in mijn leven is nu: dat nog meer uitbouwen.

Mijn doel dit jaar: mijn poëziebundel afronden.”

2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Staand voor de spiegel zie ik als eerst mijn vader. We hebben allebei een klein baardje en ook mijn mond is geleend van mijn vader.

De omgang met mensen, warmte willen geven, subtiele humor, dat heb ik ook van hem.

Mijn moeder heeft mij aan het schrijven gezet. Als kind had ik veel gedachten. ‘Als je ergens mee zit Tim, kan je het ook opschrijven!’ En toen ben ik dagboeken gaan bijhouden en brieven gaan schrijven. Dat verdween nooit meer uit mijn leven.”

3) Mijn grootste angst in het leven is:
“Een beeld komt in mij op. Dat ik in de ruimte zweef en steeds verder in het zwart tuimel en steeds kleiner word. Dat mijn lijf ronddraait en ik nergens aan vast zit. In de slotscène van de film Urchin, die ik laatst zag, zit dat beeld.

Het hoofdpersonage tolt rond in de ruimte, gewichtloos onderweg naar een zwart gat. Als een astronaut die roteert in de ruimte. De angst is: niet in contact staan met wat dan ook.”

4) Na de dood is er:
“Mijn hart stopt met kloppen en dan… Ja, dan praat ik alleen in ontkenningen. Dus wat er niet is. Het is geen groene weide van een hemel, je keert niet terug. Misschien dat je bewustzijn ergens naartoe gaat.

En als er niets is, is dat niet erg, daar maak ik dan ook niets van mee.”

5) Het allerbeste is een sieraad te verliezen:
“Dit gaat over de Poëzieprijs van de Stad Oostende die ik won, denk ik.

Als ik mijn gouden ring niet was kwijtgeraakt, had ik mijn meest mooie gedicht niet gehad. Het gaat erover. Soms moet je iets verliezen om te voelen wat het betekende voor je.

Dat kan in hele grote dingen zitten: een liefde verliezen. Of iets praktisch: een fiets.

Door verlies moet je jezelf opnieuw uitvinden, daar gaat het gedicht ook over.

Het gedicht gaat over hoe ik op zoek ga naar een gouden ring die in de stofzuigerzak verdween.

Die ring ben ik overigens nooit ècht kwijtgeraakt. Tijdens het schrijven dook de ring ineens op in het gedicht.”

6) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Mijn vriendin woont in Raalte, daar ben ik nu ook regelmatig en dat bevalt goed. Dus ik kan dat. Een fijne streek. Salland. Enkel een grote stad, daar kan ik niet wonen. Ik hou van het coulisselandschap, dat je af en toe koeienstront ruikt. Pas gemaaid gras.

Is er zoiets als typisch Achterhoeks… Poe… Achterhoekers zijn heel aards, dat zie je aan de tuinen. Bij bijvoorbeeld Sallanders zijn de tuintjes vaker recht en netjes. In de Achterhoek mag het wel wat losser en rommeliger. Ontspannen. Een houding van: komt het vandaag niet dan morgen!”

7) De mens is monogaam:
“Ik denk niet dat we zo gemaakt zijn, maar dat we het wel kunnen zijn. Ik ben zelf heel trouw. Ik heb twee lange relaties in mijn leven tot nu. Met de moeder van mijn dochters en met mijn huidige vriendin. Een niet-monogaam leven is niks voor mij. Wat anderen doen maakt mij niet uit.

Mooi als je opener bent in relaties, als dat dan open en eerlijk gebeurt. Denk ik. Durf je gevoel uit te spreken ook als het ongemakkelijk is.”

8) Hierom huilde ik voor het laatst:
“Het moet zijn geweest toen ik met een vriend sprak. Hij huilde om een ingrijpende gebeurtenis in zijn jeugd, het is te privé om te delen. Het raakte mij en toen huilde ik met hem mee. Het was twee maanden geleden.”

9) Mensen met accent en of tongval zijn:
“Mijn ouders praten plat, mijn schoonouders ook. Ik heb ook een licht accent denk ik, in hoe ik woorden afrond. De oostelijke tongval. Soms praat ik wat monotoon, dat mag wel wat luchtiger, denk ik dan.

Mensen die in dialect praten komen dicht bij hun gevoel in wat ze zeggen. Hun oergevoel. Dialectsprekers staan dicht bij hun ware aard.”

10) Dit komt op mijn steen:
“‘Daar ben ik nog niet mee bezig’. Dat lijkt mij wel een mooie. Ik zal wel bij verrassing willen sterven. Geen lijdensweg of afscheid. Pats. Weg ben je. En dan… dan is deze tekst wel terecht, toch?”