
Column De Buitenstaander: Top spot
Opinie Aalten DinxperloIk heb op het podium dingen meegemaakt die niemand zag.
Pijn, verwarring, rariteiten, uitputting. Muziek maken is topsport. En net als in de wielersport kun je onderweg compleet instorten.
Ik heb bijvoorbeeld weleens hongerklop gehad. Wielrenners kennen dat fenomeen maar al te goed: je bent te laat met eten, je glycogeenvoorraad raakt op en ineens is het licht uit. Bij mij gebeurde dat midden in een intensieve live-set. Gevolg: zware benen, trillen, zweten, duizeligheid, wazig zien en een blik in je ogen alsof je net uit een UFO bent gestapt. Dat laatste hoeft overigens geen nadeel te zijn in de muziekwereld.
De spreekwoordelijke man met de hamer kwam niet slechts langs, die gaf me meteen een campingbedje. Ik kon niks meer.
Sindsdien heb ik altijd twee bananen op mijn versterker liggen. Dextro Energy in mijn broekzak. Ik heb Boris ‘boem-boem’ Becker ooit bananen zien eten tijdens zijn Wimbledon zeges. Dat werkte bij mij ook prima! Tot ik tijdens een nachtfestival in het Patronaat in Haarlem, uitgleed over een door mezelf weggegooide bananenschil. Ook boem! Van alle mensen die over een bananenschil zijn uitgegleden, bleek ik de enige die hem zelf had neergegooid. Ik voelde me op dat moment allesbehalve een rocker en meer een figurant in een legendarische aflevering van Tom & Jerry. Maar goed, dat was nog niets.
Stel je voor: je staat de allerhoogste noot van de avond te zingen. Borst vooruit. Heroïsche pose. Gezicht op standje “hier komen mooie beelden van”. En precies op dat moment besluit een slecht gevallen stuk vette lasagne dat het ook een bijdrage wil leveren aan de voorstelling. Terwijl je die stratosferische noot vasthoudt, ontsnapt er een verdachte oncontroleerbare PUF uit de onderste regionen en ineens voel je dat er meer onderweg is dan alleen lucht.
Een paar flinke eetlepels ‘jus’ vinden hun route langs je benen richting je sokken.
Ik weet zeker dat menig zanger dit ooit heeft meegemaakt. Alleen lees je het nooit terug in een biografie of interview.
In het begin van mijn muzikantenleven had ik regelmatig last van ernstige slaapdeprivatie. Ik was soms drie dagen wakker. En dan moest ik optreden.
Ik hallucineerde alsof ik in Wonderland was beland. Ik dacht aura’s te zien, levensenergieën van mensen, planten, dieren. Alles had een soort lichtkrans. Dat klinkt spiritueel, maar geloof me: daar heb je op een podium verrassend weinig aan. Je raakt er vooral enorm door afgeleid.
Over dieren gesproken: tijdens mijn derde optreden ooit, in de openlucht naast discotheek Roquetas, kregen we (de band Thorn of Crowns) allemaal een beugel Grolsch aangereikt. We knalden ze open, hielden ze euforisch omhoog en riepen luidkeels: “Proost!”
Ik zette de fameuze fles aan mijn mond voor een flinke slok. Maar er kwam niks uit. Vreemd.
Ik keek naar de beugel. Kantelde hem nog eens. Nog steeds niks. Toen hield ik hem schuin boven mijn hoofd en loerde naar binnen.
Dat bleek een strategische fout. Met een natte flats landde er een bijna groen uitgeslagen muis, in een vrij vergevorderde staat van ontbinding, vol op mijn jonge muzikantengezicht. Dit was waarschijnlijk de enige keer in de geschiedenis dat iemand tijdens een optreden werd aangevallen door een postume muis.
Ook dit had bijzonder weinig met rock-’n-roll te maken.










