
Kook
Opinie ZutphenOf ik zo’n woord ken, vraagt ze. Een woord om mee te omschrijven hoe je kunt zeggen dat iemand onmisbaar is. Iemand die de meest achteloos gebruikte, dagelijkse zinnen wist uit te pluizen, die snapte wat er achter een gezegde huisde, of juist niet. En het daarom optilde; in beseffen, taal en verwonderen. Of ik een woord ken dat de contouren van die leegte weet te omlijsten.
Maar eigenlijk wil ik er helemaal niet over schrijven, vind ik vaak niet dat er geen woorden-, maar juist te weinig stiltes zijn om iets in z’n waarde te laten. Raast er alweer verse inkt langs hetgeen je langer had willen lezen. Kun je gaten soms gewoonweg niet aan elkaar dichten.
Vergis je niet; ik eigen me het verdriet niet toe van anderen, maar moet gewoon steeds denken aan dat ene woord dat ik niet kan vinden. Misschien is het wat ze in Duitsland ‘sehnsucht’ noemen. Een term die je met geen mogelijkheid naar hier kunt vertalen, omdat het zowel heimwee als verlangen behelst, ziek zijn van onbereikbaarheid en weemoedig van smachten. Een woord dat je enkel laat wachten. Op apegapen, of voor Pampus. Daar waar zeelieden noodgedwongen stillagen en bij gebrek aan overspoelen zelf maar begonnen in te nemen.
Een zandbank is het; zo’n leemte die verplicht tot stilstaan. Al kun je er tegelijk van op drift raken. Geen richting meer hebben zonder anker. Kutkanker. Overigens echt één van de lelijkste woorden in de Nederlandse taal, mensen. En tegelijkertijd – mijns inziens – nimmer legaal als scheldwoord te gebruiken. Je hoeft lelijk niet met lelijk te stapelen, het wordt er namelijk onooglijk van. Grasduin je liever naar vroeger. Zeg ‘paljas’, ‘slampamper’ of ‘schavuit’, laat de schone taal eruit. Of erin eigenlijk. Want woorden doen ertoe. En daden. Dus zeg niet dat ze het je moeten laten weten als je iets kan doen; ga gewoon.
Laat in je zoektocht naar de juiste taal de erwtensoep zolang pruttelen tot ie indikt. Maak er poëzie van, wil ik maar zeggen, met spliterwten die samenklieken en welig tieren overbodig maken. Vorm een groene klont van liefde, kwak ‘m op een leeg wit vel en eer alle leegte om de brei heen. Zie dat in de ruimte rondom je gedicht, de rest ligt. Alles dat je niet zeggen kon, omdat er geen stiltes voor bestaan. En o ja, laat dan jouw pan bij die voordeur staan. Bel aan, maar zorg dat je net op tijd weer weg bent. Of juist niet, maak van je schouder een absorberend gebied. Stelp wat overstroomt en kook. Niet van woede, maar omdat een mens nou eenmaal moet eten.
‘Kook’, als in ‘ik ook’, maar dan ingeslikt. Ingedikt instemmend poëtisch. Zachtmoedig, troostend, fonetisch. Zo van: ‘ik ken je niet, maar wel je verdriet.
Kook.’










