Adelheid Roosen. Foto: Female Economy
Adelheid Roosen. Foto: Female Economy

‘Dat was heel liefdevol maar ik bleek toch echt een hetero’

Veur de Draod

ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. In deze aflevering Adelheid Roosen (67), de theatermaakster, actrice en artistiek leider van theatergezelschap Female Economy groeide op in Ulft.

Door André Valkeman

1) Mijn mentale bui is:
“De zon, de blauwe lucht, mijn bui is ondanks de herfst als de lente. Ja, als het kalfje in de wei, er kan nog veel gebeuren.

Ik heb met Hugo Borst zo een afspraak. We maken tv waarbij we onderzoeken hoe je je zo goed mogelijk kunt voorbereiden op overlijden, op de dood, met bijvoorbeeld dementie.

Wij zijn innig en kritisch in de werkrelatie, weet je wel? We houden elkaar ook scherp.

We werken vanuit een urgentie. Wij houden van de dementie. Natuurlijk: het is een gruwelijke ziekte, dus wij houden niet van de ziekte. Maar wij houden er werkelijk van om het aan te gaan, om de weg na de diagnose te verbeteren. Om de zorg te ontmantelen van protocollen.’’

2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Puur het uiterlijk als eerst? Ja, dat is absoluut mijn moeder. De lichaamsbouw, neus, oren, mond. Ben ik blij met mijn uiterlijk? Ja, ik ben er best dankbaar voor.

Mijn lichaam, daar zit ik ook lekker in. Het past mij goed, háhá. Ik woon er lekker in.

Mijn karakter is vader en moeder. Als yin en yang. Ik werd artistiek leider en dacht toen ineens, dat leidinggeven, van wie heb ik dat? Dat heb ik dus van mijn vader.

Men ziet mij als heel temperamentvol. En dat ben ik ook. Maar een beleid maken of een gezelschap leiden... Dat doe ik heel kalm. En dat is echt mijn vader. Mijn vader was directeur van een bedrijf.

En dat temperamentvolle? Dat is: moeder.”

3) Mijn grootste angst in het leven is:
“Ik vind het allergriezeligste en engste wat wij als mensheid kunnen en doen: martelen. Dus gemarteld worden is mijn grootste angst. Dat je de macht hebt over een ander mens. En dat je die millimeter voor millimeter pijnigt en dat je daar genoegen uit haalt.”

4) Na de dood is er:
“Omdat wij niet weten wat er is... noem ik dat altijd de buiteling. We buitelen ergens of nergens heen. Ik neem er geen stelling over in.

Ik heb het niet nodig in mijn leven om te denken: er is later dit of dat! Die behoefte om dat te duiden heb ik niet.

Dat vind ik een soort wanhoop als je moét weten wat er is. Omdat je dan kennelijk een handvat nodig hebt aan die andere zijde. Dat heb ik niet. We moeten juist hier leren het fijn te doen met elkaar.

Tegen mijn studenten op de toneelschool zeg ik soms: maak een scène over vlak na je dood en alles wat je je kunt verbeelden aan de andere zijde. Dus ik vind het leuk om er creërend over na te denken maar niet om het als een waarde vast te stellen. Laat de dood een verbeelding zijn.’’

5) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Ja, ik ben geboren in het ziekenhuis in Breda. Daarna gingen we naar de Achterhoek. De Achterhoek was zoveel buiten spelen. Met stokken, in boomhutten. Ik woonde naast een enorme vijver. Waar ik elke dag de eenden brood gaf.

Ik had talloze dieren. Hamsters, cavia’s, schildpadden. En een kaai.

Mijn geluk is dat ik een buitelend vermogen heb om overal mijn ding te doen. Ik voel me overal op de wereld thuis.

Het leven in Amsterdam vind ik heel fijn. De vrije dynamiek van de stad, zoveel diverse mensen om je heen, enorm inspirerend. Dat de Achterhoek mijn jeugd was, dat altijd buiten spelen met dat wat ik op straat vond, vormt mijn basis en was heerlijk.’’

6) Ik ben niks zonder lippenstift:
“Het is een gracieuze herinnering aan mijn moeder. Iets wat ik leuk vind.

Ik geef het vaak aan vriendinnen cadeau. Waarom vind ik dat toch zo gaaf? Ik hou van de kleur rood. Ik vind het een mooi accent. Ik lippenstift more or less iedere dag. Dus: deze stelling raakt een kern.

En als ik overleden ben, moet er dan ook lippenstift op mijn mond, wordt gevraagd. Oh,

dat vind ik wel zo’n leuke vraag. Ik zal het niet in mijn testament zetten. Maar als iemand uit mijn vriendenkring denkt, laten we haar in de kist stiften, dan mogen zij dat bepalen.’’

7) Hierom heb ik voor het laatst gehuild:
“Ik huil veel. Een organische louterende bezigheid. Er is een onbestemd gevoel. Je kan het geen woorden geven. Dan huil je en komen de woorden. Tranen geven woorden aan gevoel.

Gisterochtend huilde ik voor het laatst. Ik had een gesprek gehad met een persoon die ik lief heb. Die deelde een worsteling. Toen ik in de ochtend terugdacht aan het gesprek moest ik huilen.”

8) Mensen met accent en of tongval zijn:
“Bij ons in het Achterhoekse gezin regeerde mijn moeders regel dat je ABN sprak. Zoals mijn moeder heel veel regels had.

Dialectsprekers vallen heel dicht samen met de persoon die ze zijn, en willen blijven wie ze zijn. Als je gevoelig bent voor kritiek en hoe anderen over je denken, dan conformeer je je aan een bepaalde standaardtaal.

Ik gun dat iedereen exact is wie hij is. Zonder iets te forceren. Dat zijn dialectsprekers vaak. Dus houd ik ervan.’’

9) De mens is monogaam:
“Ik ben van nature wel een monogaam iemand qua attitude. En zelfs als relaties eindigden nam ik rust, overdacht ik wat ik geleerd had en voelde ik of de rouw voorbij was. Omdat ik ervan houd schoon met een nieuwe relatie te beginnen.

Ik ontdekte dat ik echt hetero ben. Ik had enkele onderzoekende ontmoetingen met vrouwen in relaties. Dat was heel liefdevol maar ik bleek toch echt een hetero.’’

10) Dit komt op mijn grafsteen:
“Ik denk altijd, je bent weg. Dus het is allemaal niet voor mij. Zo’n tekst is vasthouden aan nalatenschap en daarmee aanwezigheid op aarde. Vasthouden aan iets dat niet kan.

Ik zou het mooi vinden wat de Indianen hadden. Die voelden in hun lichaam dat het einde daar was. Stapten uit de roedel en gingen onder een boom liggen. De anderen wisten dan ook wat er stond te gebeuren. Ik zou het einde als een Indiaan willen zien aankomen in gevoel en gewoon ergens gaan liggen.’’