
Column De Buitenstaander: Meten
Opinie Aalten DinxperloIk hoorde al een paar dagen opmerkingen als: wat zie je er goed uit, lekker in ‘t lentezonnetje gezeten? Ik dacht: huh, hoezo? Ik zit al dagen binnen, in de studio. Dus toen ik bij de dokter kwam om mijn oren te laten uitspuiten, heb ik en passant maar gevraagd of ze ook even m’n bloeddruk wilden meten.
Nou, die was blijkbaar veel te hoog. Thuis moest ik me een weekje of twee secuur blijven meten. Drie keer daags. Ik had zo’n meetapparaat van mijn overleden moeder. Dat ding stond al een tijd ergens in een kast, maar ineens moest het weer iets gaan betekenen.
Ik kreeg dat apparaat natuurlijk pas na een uur aan de gang, mede omdat die manchet niet fatsoenlijk om m’n bovenarm paste. En hoewel ik geen klein kereltje ben, bezit ik nou ook weer niet het voluptueuze spierenmuseum van de heer Conan de barbaar. Uiteindelijk bleek het simpel: een beetje schuiven, een beetje logisch kijken. Maar dat is precies wat ik soms niet direct paraat heb.
Onder de memoryknop zag ik de laatste opgeslagen meting van mijn moeder. 130/60. Dat was een vreemde gewaarwording. Alsof het nog één of ander opgeslagen teken van leven betrof. Zoals het licht van dode sterren ons nog bereikt. De meting deed me meer dan een foto of een filmpje. Er stond zelfs een hartslag bij: 66. Zulke cijfers had ik momenteel helaas niet.
Ik bleef ernaar kijken, alsof ik iets zag dat eigenlijk niet meer mocht bewegen maar dat toch nog even aanwezig bleef. Een soort restwarmte van iemand die er niet meer is, maar wel nog ergens geregistreerd staat.
En terwijl ik daar zo zat, met mijn eigen waardes die ik liever niet te vaak zag, dacht ik hoe raar het is dat iets zo technisch tegelijk zo intiem kan zijn. Een apparaat dat bedoeld is om te meten, maar vooral iets achterlaat dat je niet echt kunt meten.
De laatste tijd wordt er om me heen steeds vaker gehakt in het bos van bekenden, familie en vrienden. Levens die je kende, verhalen, mensen van mijn leeftijd, die er ineens niet meer zijn. Het stapelt zich op zonder dat je er echt grip op krijgt. Je beweegt daardoor net iets voorzichtiger door de dagen, die zelfs iets stiller lijken te worden, zonder dat je precies weet waarom. Soms wil ik even alle huiden die ik in dit leven heb ontwikkeld, me aangemeten, die me hebben beschermd, afpellen, afstropen en weer als een foetus voor een middag terug naar bed. Met m’n kleren nog aan. En dat er een kopje kippenbouillon op het nachtkastje staat van het merk ‘mama fluistert: alles komt goed’.
De dichter J. C. Bloem schreef:
“Ten einde is dit wellicht nog ‘t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.”
En misschien is dat het. Alles wat je meet, alles wat je probeert vast te houden, blijkt uiteindelijk maar kort aanwezig tussen twee stiltes in.
En toch blijf je meten.
Tekst: Rocco Ostermann










